Van de 2,2 mln migranten die in de periode 2015-2024 naar Nederland kwamen, verbleven er in 2024 nog 1,4 mln in het land.
Deze groep bewoonde ongeveer 435.000 woningen. Daarmee kwam 60% van de woningvraag in de afgelopen tien jaar vanuit migratie. In de komende tien jaar wordt rekening gehouden met een woningvraag door migratie van 340.000 bij een trendmatig ontwikkeling tot een aantal van 235.000 bij een effectief beleid om (vooral) asielmigratie terug te dringen. De beleidsimplicatie is dat de woningvraag tot 2030 hoog blijft, maar daarna substantieel gaat afnemen. Dit concludeert het Economisch Instituut voor de Bouw in de zojuist verschenen publicatie ‘Migratie en de woningmarkt’.
De dalende vraag na 2030 heeft belangrijke consequenties voor grote woningbouwprojecten die pas op lange termijn woningaanbod opleveren. Deze moeten dan tot ontwikkeling komen bij een veel minder dynamische vraag, wat om terughoudendheid vraagt bij grote voorinvesteringen. De woningnood is richting 2030 nog wel een hard gegeven en dit vraagt om oplossingen die vooral de komende vijf jaar woningen opleveren.
Gevolgen migratie voor de woningmarkt
Het is voor het eerst dat de gevolgen van de migratie voor de woningmarkt systematisch in beeld zijn gebracht. Dit is gedaan voor arbeids- en kennismigranten, voor asielmigranten, studiemigranten en overige migranten. Arbeidsmigranten zijn de belangrijkste groep bij de instroom, maar van deze groep blijkt 60% binnen een periode van tien jaar ook weer vertrokken te zijn.
Asielmigranten kennen een lagere instroom dan arbeidsmigranten, maar vestigen zich vrijwel altijd permanent in Nederland. Hierdoor is het belang van beide groepen migranten voor de structurele vraag op de woningmarkt bijna even groot geweest in de achterliggende periode.
Migranten die sinds 2015 naar Nederland kwamen, bewoonden in 2024 in totaal 435.000 woningen. Daarmee bestond ruim 60% van de woningvraag in de afgelopen tien jaar uit migratie, terwijl de overige vraag vooral voortkwam uit gezinsverdunning.
Groot beroep op sociale huursector
Een belangrijk verschil tussen asielmigranten en andere groepen migranten is dat de laatsten vooral op de vrije huursector en in mindere mate op de koopsector zijn aangewezen, terwijl asielmigranten voor 90% in de sociale huursector terecht zijn gekomen. Een hardnekkig misverstand is dat asiel hier maar een zeer bescheiden rol zou spelen omdat het slechts om 7% van de toewijzingen in de sociale huursector gaat. Hier wordt extra vraag naar woningen door elkaar gehaald met verhuizingen op de woningmarkt. De meeste toewijzingen in de sociale huursector zijn aan bestaande sociale huurders die ook weer een sociale woning achterlaten. In het licht van de extra woningen die in de sociale huursector jaarlijks zijn toegevoegd is asielmigratie wel degelijk een belangrijke factor geweest.
Migratie blijft ook de komende tien jaar een dominante factor op de woningmarkt, maar de groei neemt af in de tijd. Bij een trendmatige ontwikkeling van de instroom van migranten zal de woningvraag uitkomen op ongeveer 340.000 in de komende tien jaar. Relatief zal migratie dan nog altijd de dominante factor op de woningmarkt zijn, maar de groei is wel minder sterk dan in de afgelopen tien jaar. Dit komt vooral door een daling van de netto migratie van arbeids-, kennis- en studiemigranten. De incidenteel zeer hoge instroom enkele jaren terug, leidt de komende jaren tot meer uitstroom en minder structurele groei dan in het verleden.
Dit geldt niet voor asielmigratie en het aandeel van asiel binnen de totale migratie neemt duidelijk toe. Indien de netto migratie tot 50.000 personen per jaar zou kunnen worden beperkt zoals de Staatscommissie Demografische Ontwikkeling heeft geadviseerd dan zou de woningvraag vanuit migratie uitkomen op 235.000 in de komende tien jaar. Dit zou dan vooral moeten komen van een forse reductie van de asielmigratie.
Afname structurele woningvraag
Bij de hierboven geschetste trendmatige ontwikkeling, daalt de structurele woningvraag vanuit migratie naar ongeveer 35.000 per jaar. Bovendien is er niet langer sprake van een natuurlijke groei van de Nederlandse bevolking en ligt de grootste gezinsverdunning reeds achter ons. Zo daalt de woningvraag vanuit gezinsverdunning naar circa 15.000 per jaar. Daarmee komt de structurele woningvraag uit op 50.000 per jaar. Dit zijn aantallen die de laatste jaren in de nieuwbouw ruimschoots zijn gehaald.
De woningvraag blijft op middellange termijn naar verwachting nog wel hoog omdat er nog veel migranten in de opvang zitten die naar de woningmarkt moeten doorstromen en er nog veel gerantsoeneerde vraag is bij jongeren die zelfstandig willen wonen. Op lange termijn ontstaat echter een wezenlijk ander beeld met een veel minder krachtige woningvraag en dit zal nog sterker gelden bij een effectief beleid ter beperking van (asiel)migratie.
