CBRE krijgt alsnog ton voor misgelopen vastgoedfinanciering

CBRE heeft in hoger beroep alsnog een vergoeding afgedwongen voor werkzaamheden bij de herfinanciering van een vastgoedportefeuille van circa € 150 mln.

Opdrachtgever DRI, waarvoor Round Hill Capital als asset manager optreedt, moet van het gerechtshof in Amsterdam ruim € 100.000 betalen, hoewel de beoogde herfinanciering nooit tot stand kwam.

De zaak draait om een vastgoedportefeuille die eind 2022 werd gewaardeerd op € 146 tot € 151 mln. De portefeuille was voor € 88 mln gefinancierd door Blackstone. Toen die financiering in maart 2023 zou aflopen, schakelde vastgoedinvesteerder DRI III Holdco A de financieringsspecialisten van CBRE in om een nieuwe geldverstrekker te vinden. DRI is een investeringsvehikel waarin beleggingen van verschillende buitenlandse vastgoedbeleggers zijn ondergebracht. 

Financiers gevonden, maar bestaande lening verlengd

CBRE kreeg in januari 2023 de opdracht een nieuwe, bij voorkeur aflossingsvrije financiering met een looptijd van vijf jaar te regelen. De vergoeding was gebaseerd op no cure, no pay: bij een succesvolle herfinanciering zou CBRE 0,285% van de hoofdsom ontvangen.

CBRE vond vier geïnteresseerde financiers. Het gunstigste voorstel kwam van ING, dat bereid was € 80,3 mln te verstrekken. Maar DRI koos uiteindelijk voor een andere oplossing: verlenging van de bestaande lening bij Blackstone. Dat die lening twee keer met een jaar kon worden verlengd, was CBRE bij het aangaan van de opdracht niet verteld. Daarmee ontstond een conflict over de vergoeding. CBRE had zijn werk gedaan en factureerde € 250.800, maar DRI wilde niet meer dan de overeengekomen annuleringsvergoeding van € 12.500 betalen.

40% redelijk

De zaak kwam voor de rechter, die twee jaar terug nogal hard oordeelde voor CBRE: geen herfinanciering, dus geen vergoeding. CBRE is daarop in hoger beroep gegaan.

Het hof kijkt bij het vaststellen van de redelijke vergoeding naar de werkzaamheden die CBRE daadwerkelijk heeft verricht. Daarbij houdt de rechter er geen rekening mee dat CBRE naar eigen zeggen een substantieel lagere success fee had bedongen dan normaal, in de hoop een bestendige relatie met DRI op te bouwen en gezien de samenhang met werkzaamheden voor de financiering van de zogeheten Igor-portefeuille van DRI, die wel is geslaagd.

De opdracht bestond uit negen fasen, waarvan de eerste vier volledig waren afgerond en de vijfde gedeeltelijk. De resterende vier fasen, waaronder de afronding van de financiering, waren nog niet uitgevoerd. CBRE stelde recht te hebben op 75 tot 80% van de succesvergoeding, terwijl DRI vond dat hooguit 20 tot 25% van het werk was verricht. Het hof volgt geen van beide partijen en weegt mee dat CBRE ook na het bekend worden van de verlengingsoptie extra werkzaamheden heeft verricht en dat DRI de resultaten daarvan heeft gebruikt om een weloverwogen financieringsbeslissing te nemen. Het hof stelt de redelijke vergoeding daarom vast op 40% van de overeengekomen succesvergoeding, oftewel € 100.320. Daar komt de wettelijke handelsrente vanaf 26 juni 2023 bij.

Laatste nieuws

Evenementen