Rivium: Met vertrouwen de nieuwe toekomst in

Van een eenzijdig kantorenpark ontwikkelt Rivium zich stap voor stap tot een meer divers en toekomstbestendig stedelijk gebied. Daarbij kiest de gemeente Capelle aan den IJssel voor de weg van de geleidelijkheid en trekt ze samen op met marktpartijen en buurgemeente Rotterdam.

Als je vanaf het Rotterdamse metrostation Kralingse Zoom de onbemande ParkShuttle pakt richting het einde van bedrijventerrein Rivium, reis je door een gebied dat goeddeels zijn oorspronkelijke functie heeft verloren. Nieuwe kantoren aan de rand van de jongste wijk met de wonderlijke naam Fascinatio (genoemd naar een boek van Tom Manders) kwamen er door de kredietcrisis nooit.

Vervolgens rijdt het voertuig door een landschap van veelal leegstaande kantoren richting de oever van de IJssel. Bij het uitstappen op de eindhalte is er direct de tamelijk overheersende putlucht van de naastgelegen waterzuivering. Alles bij elkaar niet echt een aanlokkelijk perspectief voor een gebiedstransformatie, waarbij onder de naam Rivium District 5.500 woningen worden toegevoegd. Toch hebben de gemeente Capelle aan den IJssel en marktpartijen eind vorig jaar eensgezind de koe bij de horens gevat.

In de Samenwerkingsovereenkomst Rivium 2025 zijn verbindende afspraken tussen de gemeente en de ontwikkelaars vastgelegd. Er worden gezamenlijke en wederzijdse verplichtingen geregeld op de onderdelen (woon)programma, financiën en garantiestellingen, en bouw- en woonrijp maken.

Bestuurlijke versnelling

Een belangrijke rol in de versnelling van het project is weggelegd voor wethouder René van Hemert. Hoewel hij pas ruim een jaar aan boord is in Capelle, beschouwt hij Rivium District nadrukkelijk als ‘zijn kindje’. ‘Ik ben door het regiobestuur VVD Zuid-Holland gevraagd, juist vanwege de ervaring die ik heb opgedaan met grote ontwikkelingen in mijn woonplaats Rijswijk’, vertelt hij. ‘Onder andere met Rijswijk Buiten, de transformatie van Plaspoelpolder en de herontwikkeling van winkelcentrum De Bogaard.’

Zijn komst markeert een kantelpunt. De gebiedsontwikkeling, die eerder enigszins stil leek te staan, kreeg onder zijn leiding nieuwe energie. ‘Ik heb me er meteen in vastgebeten. Ik werd op een dinsdag benoemd en had de vrijdag erna mijn eerste overleg met de betrokken partijen.’

Volgens Van Hemert stond het project bij zijn aantreden feitelijk op pauze. ‘Er moest iets veranderen, en dat is ook gelukt. Het een heel mooi proces geweest om te zien wat er het afgelopen jaar is gebeurd in de verhouding met de gemeenteraad. Die stond er toch een beetje in met de gedachte: we zien wel of het gaat gebeuren. Ik ben meer van: het gaat gebeuren.’ Dat enthousiasme sloeg uiteindelijk ook over op de raad. Excursies naar vergelijkbare ontwikkelingen, zoals de Binckhorst en Plaspoelpolder, hielpen daarbij. ‘Dan ervaar je dat er heel wat mogelijk is.’

Wantrouwen en samenwerking

Arian Pleizier, kwartiermaker grote opgaven bij de gemeente Capelle aan den IJssel en ambtelijk opdrachtgever voor Rivium District, zag die omslag van dichtbij. ‘Er zat in de basale grondhouding richting de markt wel wat wantrouwen’, zegt hij. ‘René heeft een heel belangrijke rol gespeeld om het vertrouwen richting de ambtelijke organisatie, maar ook naar de markt, te herstellen.’

Volgens Pleizier is dat wantrouwen niet uniek. ‘Door heel gemeenteland is er een gezond wantrouwen richting de markt. Het vooroordeel is dat ontwikkelaars alleen maar bezig zijn om hun portemonnee te vullen. De belangen lopen niet altijd synchroon.’

Toch groeide het besef dat samenwerking onvermijdelijk is. ‘Ik ben van mening dat samenwerking noodzakelijk en heel waardevol is. De markt brengt kennis en belangen in, die niet altijd top of mind zijn bij de gemeente.’

Ruime kaders

De gemeente heeft daarbij bewust duidelijke, maar ruime kaders gesteld hoe het huidige, goeddeels monofunctionele kantorengebied er in de toekomst moet gaan uitzien. Pleizier: ‘Als wij nu minutieus details vastleggen, gaan we voorbij aan het feit dat niemand momenteel kan overzien wat er gaat gebeuren. Neem de oorlog in Iran. Dat doet natuurlijk iets met prijzen en tal van randvoorwaarden.’

Tegelijkertijd blijft de kantorenmarkt cyclisch, waardoor ondanks de huidige onderbenutting op termijn ook weer schaarste kan ontstaan. ‘We zijn redelijk flexibel geweest in het uiteindelijk vastleggen van de randvoorwaarden. Die geven best ruimte aan de markt om op zeker moment markgericht te gaan ontwikkelen. Tegelijkertijd hebben we ons er ook wel van laten overtuigen dat gebiedsontwikkeling niet alleen gaat om afzet, maar dat er ook beleggers aan de andere kant van de tafel zitten. Die willen bij voorbaat een kwalitatief mooi product.’

Enorme behoefte

Wethouder Van Hemert is niet bang dat de woningen leeg te komen te staan. ‘Iedereen wil een woning, er is zo’n enorme behoefte aan. Kijk, wij als provincie of als gemeente kunnen het allemaal wel willen, maar de markt heeft momenteel het lef om het te doen. Een gemeente heeft dezer dagen hooguit een grondpositie. Dat was in het verleden ook wel eens anders. Tijdens de bouwcrisis van begin jaren ’90 klopten er bedrijven bij de gemeente aan met de vraag of ze alsjeblieft konden bouwen, om hun mensen aan het werk te houden. Dan moet je als bestuurder ook je nek uitsteken en een risico durven nemen.’

Van enig risico op leegstand lijkt in Capelle geen sprake. Rivium District bedient straks niet alleen woningzoekers uit Capelle zelf, maar uit de hele regio. ‘Mensen die wonen in Rotterdam willen net zo goed in Capelle wonen en andersom. Dat zie je ook in samenhang met andere stedelijke gebieden rondom Amsterdam, Den Haag en Utrecht. Als het maar een woning is dicht bij hun werk.’

Het wordt een hoogstedelijk woongebied, zegt Pleizier: ‘Met een ander type product voor een ander type bewoner dan wij doorgaans in Capelle hebben. Het is onderdeel van een regionale woonopgave.’

Samen met Rotterdam

Rivium District is onderdeel van de gebiedsvisie de Oostflank. Daarbij moet aan de oostkant van Rotterdam vanaf de Zuidoever – via een nieuwe oeververbinding richting de Esch – de komende decennia een nieuw aaneengesloten woongebied ontstaan met 35.000 nieuwe woningen. 5.500 hiervan zijn voorzien aan de overkant van de IJssel, in Rivium.

Van Hemert noemt de gezamenlijkheid heel belangrijk. ‘Capelle en Rotterdam moeten de komende jaren samen optrekken om dit voor elkaar te krijgen. Neem de verkeersafwikkeling, die moet je met elkaar doen, met de regio en de marktpartijen.’

Een concrete vrucht van die samenwerking is er al. Rotterdam vroeg Capelle om de woningvoorraad te verbreden door ook studenteneenheden toe te voegen. Die vraag werd gehonoreerd vanuit de logica dat het Rivium District praktisch de buurman is van de Erasmus Universiteit aan de overkant van de snelweg.

Onhoudbaar kantoorconcept

Het huidige Rivium heeft als kantorenlocatie nooit echt goed gefunctioneerd. Oorspronkelijk is Rivium in de jaren ’90 (1993–1995) ontwikkeld als kantorenpark, geïnspireerd op vergelijkbare ontwikkelingen zoals Brainpark in Rotterdam. De nadruk lag destijds op de zogenoemde ‘parkgedachte’: een ruim opgezet gebied met relatief lage dichtheid, gericht op grootschalige kantoorhuisvesting voor veelal één gebruiker per gebouw.

In de praktijk bleek dit concept echter niet duurzaam houdbaar. Door structurele veranderingen in de kantorenmarkt – zoals de afname van vraag naar grootschalige single-tenant kantoren en de opkomst van flexibelere werkvormen – is in Rivium in toenemende mate leegstand ontstaan. ‘Feitelijk is het een vorm van kapitaalvernietiging, maar tegelijkertijd geeft de markt ook richting: er is behoefte aan een andere invulling van het gebied’, aldus Marc Nelen. Als zelfstandig gebiedsontwikkelaar, verbonden aan Fakton Executives, beweegt hij zich tussen verschillende partijen.

De eerste stappen richting functieverandering zijn al zichtbaar geworden aan de randen van Rivium, waar enkele kantoorgebouwen zijn getransformeerd naar woningbouw. Deze ‘verkleuring’ markeert het begin van een bredere transitie. ‘De gemeente heeft daarbij onderkend dat een dergelijke omslag vraagt om een integrale gebiedsaanpak’, aldus Nelen. ‘Als je woningen toevoegt zonder aanpassing van de openbare ruimte en voorzieningen, leidt dat niet tot een goed functionerend stedelijk milieu.’

Daarom is vanaf 2018 gewerkt aan een gebiedsvisie, die in 2020 is aangescherpt en vastgesteld, zegt Nelen. ‘Hierin wordt ingezet op een meer gemengd programma, waarbij wonen, werken en voorzieningen in samenhang worden ontwikkeld. Tegelijkertijd wordt niet het volledige kantorengebied losgelaten: kansrijke gebouwen worden behouden en waar mogelijk aangepast naar multi-tenant gebruik, passend bij de huidige marktvraag. Op die manier blijft een deel van de economische functie behouden, terwijl andere delen van het gebied transformeren.’

Korte lijnen

De samenwerking tussen gemeente, raad en marktpartijen vormde een cruciale succesfactor in het ontwikkelproces. Kenmerkend was de intensieve en transparante manier van werken, waarbij de lijnen bewust kort werden gehouden. Wekelijkse overleggen met marktpartijen – soms urenlang – zorgden ervoor dat knelpunten snel op tafel kwamen en gezamenlijk konden worden opgelost. Dit proces, het ‘ontvlechten’ van bestaande afspraken, vroeg om wederzijds vertrouwen, juist omdat er werd ingegrepen in eerder gemaakte afspraken uit 2023.

Parallel hieraan werd ook de gemeenteraad actief en structureel bij de plannen betrokken. Door de raad eens in de twee maanden – vaak in vertrouwelijke setting – bij te praten, ontstond ruimte om open het gesprek te voeren over bijvoorbeeld financiële aspecten en marktdynamiek. Deze aanpak zorgde ervoor dat de raad niet alleen op beslismomenten werd aangehaakt, maar gedurende het hele proces werd meegenomen. Dit vergrootte het begrip, het draagvlak en uiteindelijk ook het enthousiasme voor de ontwikkeling.

Laadvermogen

In de samenwerking met de markt werd bovendien gezocht naar een nieuwe balans tussen sturing en flexibiliteit. Nelen: ‘Een belangrijk instrument hierin is het werken met een planologisch kader, dat kan worden gezien als een vorm van laadvermogen: een set afspraken binnen een vastgesteld volume die richting geeft en samenhang borgt, maar tegelijkertijd voldoende ruimte laat om mee te bewegen met toekomstige ontwikkelingen. Binnen dit kader zijn de uitgangspunten en deelgebieden vastgelegd, terwijl er flexibiliteit blijft om in te spelen op een veranderende markt.’

Uiteindelijk draait deze samenwerking volgens Pleizier niet alleen om systemen en afspraken, maar ook om de onderlinge verhoudingen. ‘Ontwikkelaars zijn net mensen – en ambtenaren trouwens ook. Het succes van het proces zit daarmee niet alleen in de inhoud, maar juist ook in het samenspel, het vertrouwen en het vermogen om elkaar te blijven vinden in een complexe en dynamische opgave.’

Sturing en flexibiliteit

Ook de woningbouwopgave binnen het gebied wordt kenmerkt door een bewuste balans tussen programmatische sturing en flexibiliteit, met name als het gaat om de verhouding tussen huur en koop. Aan de voorkant is door de gemeente ingezet op een relatief strak kader, met een verdeling van 30% huur en 70% koop. In de praktijk is dit uitgangspunt echter losgelaten in de gesprekken met marktpartijen, waarbij bewust ruimte is geboden om deze verhouding aan te passen aan de marktvraag.

Deze keuze brengt spanning met zich mee, volgens Pleizier. ‘Aan de ene kant bestaat het risico dat het aandeel huurwoningen te groot wordt, wat mogelijk invloed heeft op de binding en sociale structuur in de wijk. Anderzijds vergroot flexibiliteit de haalbaarheid en afzetbaarheid van projecten, wat essentieel is om de woningbouwproductie daadwerkelijk op gang te brengen. Daarom hebben we ervoor gekozen om niet rigide vast te houden aan vooraf gestelde percentages, maar te sturen op realisatie en kwaliteit.’

Tegelijkertijd is er vertrouwen dat het aandeel koopwoningen zich op natuurlijke wijze zal ontwikkelen. Nelen: ‘Binnen het gebied zijn locaties voorzien – zoals aan de waterkant en in de groene zones – die zich nadrukkelijk lenen voor koopwoningen en waar marktpartijen naar verwachting hoogwaardige projecten zullen realiseren. Deze ‘pareltjes’ bieden perspectief op een evenwichtiger programma op de langere termijn, ook zonder harde sturing op percentages.’

Het tijdspad van de ontwikkeling speelt hierin een belangrijke rol. In de eerste fase ligt de nadruk waarschijnlijk op huurwoningen, mede doordat institutionele beleggers een belangrijke rol spelen in de vroege realisatie van projecten. Dit moet zorgen voor een stevig fundament en versnelt de start van de gebiedsontwikkeling. In latere fasen wordt meer ruimte verwacht voor koopwoningen, mede afhankelijk van marktomstandigheden en de verdere kwaliteitsontwikkeling van het gebied.

Daarnaast is een deel van het gebied, met name aan de zuidkant, voorlopig nog in gebruik als kantoorlocatie. Voor deze zones wordt uitgegaan van een langere transitieperiode van 5–10 jaar, waarna alsnog transformatie naar woningbouw mogelijk is. Nelen: ‘Dit betekent dat de uiteindelijke invulling van het woonprogramma zich gefaseerd ontwikkelt, waardoor we kunnen inspelen op toekomstige demografische en markttechnische ontwikkelingen.’

Betaalbaarheid

De betaalbaarheid van woningen in Rivium is een expliciet en stevig verankerd onderdeel van de gebiedsontwikkeling. Gemeente en marktpartijen houden elkaar continu scherp om deze ambitie ook daadwerkelijk te realiseren.

Tegelijkertijd blijkt betaalbaarheid in de praktijk geen eenduidig begrip. Pleizier: ‘De invulling ervan – zowel voor huur als koop – leidt tot uitgebreide discussies, juist omdat er geen universele definitie bestaat.’ Betaalbaarheid werd voorheen vaak gekoppeld aan de NHG-grens, maar die systematiek is losgelaten. In Rivium is daarom aangesloten bij de actuele rijksdefinities, waarmee een nieuwe, meer marktconforme ondergrens is ontstaan.

Binnen deze kaders is afgesproken dat 60% van het woningprogramma in het betaalbare segment moet vallen. Nelen: ‘Hoewel dit aandeel iets lager ligt dan de huidige landelijke ambitie van circa twee derde betaalbaar, is het een belangrijk en haalbaar resultaat binnen de bestaande samenwerkingsovereenkomst. Deze afspraak is gedurende het proces overeind gebleven, ondanks veranderende inzichten en marktomstandigheden.’

Brug en waterzuivering

Een belangrijk uitgangspunt in de samenwerking is dat zowel de gemeente als de marktpartijen gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor de kwaliteit en haalbaarheid van de gebiedsontwikkeling.

Deze collectieve benadering is met name relevant bij het omgaan met overlastgevende situaties in het gebied, zoals de nabijgelegen Van Brienenoordbrug en de geurbelasting van de waterzuivering, waarvan de geurcontour over een aanzienlijk deel van het gebied valt. Om woningbouw mogelijk te maken, zijn technische maatregelen nodig die de overlast beperken. Nelen: ‘Hoewel deze maatregelen niet voor elk deelgebied in gelijke mate noodzakelijk zijn, wordt de aanpak collectief georganiseerd en gefinancierd.’

Dit komt onder meer tot uiting in de manier waarop kosten en opgaven worden verdeeld: marktpartijen hebben onderling verdeelsleutels opgesteld, gebaseerd op vierkante meters, waarmee planoverstijgende investeringen gezamenlijk worden gedragen.

De gemeente stelt op haar beurt de randvoorwaarden, waardoor er toch kwalitatief aantrekkelijk kan worden gebouwd. Zo wordt de geluidbelasting van de snelweg en de brug expliciet meegenomen in de planvorming. Er komen bijvoorbeeld gesloten bouwblokken aan de geluidszijde en binnentuinen aan de luwere zijde.

De vastgestelde ‘nulmeting’ fungeert hierbij als ondergrens: deze laat zien wat aantoonbaar haalbaar is binnen de gestelde eisen op het gebied van onder andere geluid, wind en bezonning. Pleizier: ‘Afwijkingen zijn mogelijk, maar vereisen nieuwe onderbouwing en toetsing en mogelijk herfinanciering.’

Kosten en baten

Het grondbezit ligt grotendeels bij een beperkt aantal private partijen – veelal eigenaren van voormalige kantoorpanden – terwijl de gemeente verantwoordelijk is voor het openbaar gebied en de planologische kaders.

De in 2023 ondertekende samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente en de marktpartijen bleek te moeten worden herzien. In de aanloop naar het sluiten van de anterieure overeenkomsten voor de zes deelgebieden ontstond eind 2024 op meerdere onderwerpen zodanige discussie dat een ontvlechtingsproces noodzakelijk werd. Daarbij gold als randvoorwaarde dat de gebiedsvisie en het programma uit 2023 ongewijzigd zouden blijven. De kern van deze ontvlechting betrof de overdracht van de mobiliteitsopgave aan de gemeente en de toedeling van het bouw- en woonrijp maken van de eigen plots aan de marktpartijen.

De marktpartijen leveren een financiële bijdrage aan de plot-overstijgende openbare ruimte, de mobiliteitsopgave, de milieuvoorzieningen en de ambtelijke kosten. Deze afspraken zijn vastgelegd in een ‘dynamische gebiedsexploitatie’, waarin de totale bijdrage van de marktpartijen wordt gekoppeld aan de feitelijke voortgang van de ruimtelijke procedures en de gemeentelijke investeringen. Gemeente en marktpartijen bepalen jaarlijks de daadwerkelijk verschuldigde bedragen en de garantiestellingen voor verplichtingen die in de volgende fasen worden aangegaan.

De ontwikkelaars hebben de mogelijkheid om onderling programmaonderdelen uit te ruilen om haalbaarheid en rendement te vergroten. Dit betekent bijvoorbeeld dat een partij met een locatie die zich beter leent voor duurdere koopwoningen een groter aandeel daarvan kan realiseren, terwijl een andere partij juist meer (betaalbare) huur realiseert. Voorwaarde daarbij is wel dat dit past binnen de planologische kaders en gebeurt met instemming van de gemeente.

Autoluwe wijk

In de bestaande opzet wordt Rivium nog doorsneden door een brede tweebaansweg weg die het gebied toegankelijk maakt voor doorgaand verkeer. In de nieuwe situatie wordt deze structuur losgelaten. Het gebied wordt heringericht met een noordelijke en zuidelijke ontsluitingsroute, waarbij het doorgaande verkeer juist om het gebied heen wordt geleid. ‘Binnen Rivium zelf ontstaat daarmee een autoluwe wijk, waar de auto alleen nog een rol speelt als bestemmingsverkeer’, aldus Nelen. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor verblijfskwaliteit, groen en langzaam verkeer, passend bij het beoogde woonmilieu.

In de eerste fase ligt de nadruk op het aanpassen van de infrastructuur en het maken van afspraken met de omgeving, zegt Nelen. ‘In de huidige situatie staan er immers nog kantoren, die afhankelijk zijn van bereikbaarheid per auto. Daarom worden deze partijen actief meegenomen in het proces en wordt de mobiliteitsaanpak stapsgewijs ingevoerd.’ Tegelijkertijd investeert de gemeente in de aanpassing van de ondergrondse infrastructuur en de omliggende wegenstructuur, zodat het nieuwe mobiliteitssysteem goed kan functioneren. Er wordt ingezet op lagere parkeernormen en collectieve oplossingen, zoals deelauto’s. Parkeren wordt geconcentreerd in gebouwde voorzieningen binnen de bouwblokken.

In de eindsituatie, over 10–15 jaar, is de auto grotendeels ondergeschikt geworden binnen de wijk, wat de levendigheid ten goede moet komen. De inrichting van de wijk speelt hier bewust op in, met een mix van functies zoals een grote supermarkt en ruimte voor kleinschalige bedrijvigheid en voorzieningen in de plinten.

Een cruciale rol in dit geheel is weggelegd voor de OV-shuttle, die het gebied verbindt met de omliggende regio. Deze wordt verder doorontwikkeld: hij gaat vaker rijden, krijgt mogelijk een langere route en er wordt gekeken naar grotere voertuigen. Het is voor Nederland een uniek systeem: onbemande shuttles rijden nu nog hoofdzakelijk op luchthavens. De verdere ontwikkeling loopt nog wel tegen grenzen aan, vooral door wet- en regelgeving. De shuttle rijdt nu nog op een eigen baan en mag niet mengen met normaal verkeer, terwijl dat in bijvoorbeeld de Verenigde Staten al wel gebeurt. Pleizier: ‘In combinatie met de fiets, watertaxi en andere vormen van mobiliteit zorgt deze verbinding ervoor dat bewoners zich gemakkelijk kunnen verplaatsen zonder afhankelijk te zijn van de auto.’

De beoogde doelgroep van Rivium District bestaat in eerste instantie vooral uit jonge stedelingen, zoals starters, studenten en werkenden die waarde hechten aan flexibiliteit en mobiliteit. Pleizier: ‘Hoewel gezinnen niet de primaire doelgroep zijn, worden zij ook niet uitgesloten. In sommige bouwblokken en binnentuinen wordt juist rekening gehouden met meer gezinsgericht wonen, waardoor op termijn een gemengde wijk kan ontstaan.’

Onzekerheden

Een van de belangrijkste onzekerheden daarbij is de afzetsnelheid van woningen. Terwijl in Capelle aan den IJssel momenteel 450 woningen per jaar worden gerealiseerd, wordt in Rivium gerekend op een extra productie van 650 woningen per jaar. Nelen: ‘Dit betekent meer dan een verdubbeling van het huidige tempo, wat voor lokale begrippen zeer fors is en sterk afhankelijk van marktomstandigheden.’

Hoewel in de samenwerking met marktpartijen veel risico’s contractueel zijn belegd en verdeeld, blijven er nadrukkelijk risico’s bij de gemeente liggen. De gemeente is verantwoordelijk voor de aanleg van de infrastructuur en mobiliteitsoplossingen, terwijl de opbrengsten afhankelijk zijn van het tempo waarin de woningbouw daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Als de ontwikkeling achterblijft, kan dit leiden tot financiële druk.

Een ander belangrijk risico betreft de plankosten en de gemaakte afspraken over de realisatie van circa 5.000 woningen tot 2035. Deze kosten zijn afgekocht op basis van deze ambitie, maar als het aantal woningen niet wordt gehaald, ontstaat een complex vraagstuk over de verdeling van verantwoordelijkheden. ‘In dat geval zal opnieuw overleg nodig zijn tussen gemeente en marktpartijen over de verdere voortgang en financiering’, aldus Pleizier.

De herontwikkeling van Rivium is financieel vooral een project van de markt. In totaal gaat het om zo’n € 1,5–1,6 mrd, waarvan het grootste deel door private partijen wordt geïnvesteerd.

De financiële steun vanuit het Rijk blijft beperkt tot de WoKT-subsidie (Woningbouw op Korte Termijn) van € 28 mln. Veel andere subsidies zijn juist niet van toepassing, omdat die bedoeld zijn voor projecten met een publiek tekort – en dat is hier (vooralsnog) niet het geval. Pleizier: ‘De gemeenteraad is ooit ingestapt met het idee dat het project de gemeente niets zou kosten en dat risico’s beperkt moesten blijven. In de praktijk ligt dat iets genuanceerder: de gemeente heeft bijvoorbeeld plankosten voorgeschoten, al zijn die later weer afgedekt via afspraken met de markt.’

Inspraakprocedure

Het omgevingsplan heeft inmiddels ter inzage gelegen en de binnengekomen zienswijzen (ongeveer twintig, hoofdzakelijk van op Rivium gevestigde bedrijven) worden nu verwerkt. Daarna gaat het plan vóór de zomer naar de gemeenteraad voor besluitvorming. Pleizier: ‘Opvallend is dat het aantal zienswijzen relatief beperkt is voor zo’n groot project. Dat komt waarschijnlijk doordat Rivium vrij los ligt van bestaande woonwijken. Tegelijkertijd laten omwonenden en bedrijven wel van zich horen, en hun input wordt meegenomen in het proces.’

Daarmee is het traject echter nog niet klaar. De verwachting is dat er een procedure bij de Raad van State volgt. Hoe lang dat duurt, hangt af van prioritering en behandeling. Als alles meezit, kan de eerste bouw eind 2027 starten.

Serie PPS in gebiedsontwikkeling

Dit artikel is de zevende publicatie in de reeks ‘PPS in Gebiedsontwikkeling’, een gezamenlijke serie van de leerstoel Gebiedsontwikkeling TU Delft/Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG) en PropertyNL over actuele gebiedsontwikkelingen die via publiek–private samenwerking tot uitvoering komen. De serie is mede ontstaan naar aanleiding van de nieuwe versie van het handboek ‘Zo werkt gebiedsontwikkeling’ van emeritus prof. Friso de Zeeuw en artikelen hierover door Wabe van Enk, hoofdredacteur van PropertyNL.

De centrale vraag in deze serie is: hoe geef je de samenwerking, organisatie en financiering vorm als opgaven groter, complexer en gelaagder worden? De auteurs laten zien welke keuzes de partijen maken, waar het schuurt en welke mechanismen helpen. De serie verschijnt in aanloop naar het SKG-jaarcongres. Dat vindt plaats in juni 2026 en staat in het teken van het 20-jarig bestaan van de stichting.

Gepubliceerd in PropertyNL Magazine nr. 4, 23 april 2026

img
Adjunct-hoofdredacteur
Profiel