Elektrificatie hoeft niet stil te vallen door netcongestie, maar de oplossing ligt niet in steeds meer kabels en transformatorstations. Dat was de opvallende conclusie van een rondetafelgesprek tijdens de Klimaattop Gebouwde Omgeving in de Jaarbeurs in Utrecht.
Tijdens de sessie Elektrificeren tijdens netcongestie. Het kan wel! gingen onder meer Rachel Marty van Alliander, Michel Mol van Ecolytics en Mark Ooms van ingenieursbureau DVI met elkaar in gesprek over de vraag hoe woningbouw en verduurzaming kunnen doorgaan nu het elektriciteitsnet op steeds meer plekken tegen zijn grenzen aanloopt. De deelnemers waren het opvallend vaak eens: meer infrastructuur blijft nodig, maar zal het probleem niet alleen oplossen.
Structurele realiteit
De scherpste stelling kwam van Marty. ‘Er is geen weg om ons uit deze netcongestie te bouwen’, stelde zij. Volgens haar is netschaarste geen tijdelijk fenomeen, maar een structurele realiteit waarmee Nederland moet leren omgaan. Netbeheerders kampen niet alleen met een tekort aan capaciteit, maar ook met schaarste aan mensen, materialen en ruimte. ‘Op een gegeven moment kunnen stations niet voor de vijftiende keer worden uitgebreid.’
Dat betekent volgens Marty niet dat verdere elektrificatie onmogelijk wordt. Integendeel. Veel capaciteit blijft onbenut doordat vraag en aanbod niet goed op elkaar aansluiten. ‘Het net is niet altijd vol. Net als een snelweg heeft het op sommige momenten file en op andere momenten ruimte’, zei zij. ‘Als we een toekomstig energiesysteem betaalbaar willen houden, moeten we benutten, benutten, benutten.’
Ook Mol ziet daar grote kansen. Volgens hem wordt te vaak naar de netbeheerder gekeken voor een oplossing, terwijl bedrijven zelf veel meer kunnen doen met lokale opwek, opslag en slim energiegebruik. ‘Er zit ruimte zat in het netwerk om er heel veel mee te doen’, stelde hij. ‘Je hebt te maken met opwekken, opslag en verbruik. Dat is niet een heel ingewikkeld spelletje.’
Energy hubs
Een belangrijke oplossingsrichting die tijdens het gesprek meerdere keren terugkwam, is de ontwikkeling van energy hubs waarin bedrijven energie gezamenlijk opwekken, opslaan en uitwisselen. Volgens Mol ligt daar een belangrijke sleutel om de bestaande netcapaciteit beter te benutten. ‘Laten we de oplossing niet alleen bij de netbeheerder zoeken. Er is kennis genoeg in Nederland om dit op een slimme manier te doen.’
Volgens Marty begint de echte oplossing zelfs nog eerder: bij de inrichting van gebieden. Zij pleitte voor wat zij ‘energieplanologie’ noemt. ‘De kracht van de oplossing zit hem vooraf in het ontwerp’, zei ze. Waar nu vaak functies met vergelijkbare energieprofielen bij elkaar worden geplaatst, zouden ontwikkelaars juist moeten zoeken naar combinaties die elkaar aanvullen. ‘Ga niet al die logistieke bedrijven bij elkaar zetten die exact hetzelfde energieprofiel hebben, maar maak combinaties van functies zodat je het net veel slimmer benut.’
Trias energetica
Daarnaast moet de energievraag zelf omlaag. Ooms wees daarbij op de nog altijd actuele principes van de Trias Energetica. ‘Zorg dat je zo min mogelijk energie nodig hebt’, zei hij. Maatregelen als isolatie, zonwering, vergroening en een doordacht ontwerp kunnen de benodigde netcapaciteit fors beperken.
Marty vatte de voorkeursvolgorde kernachtig samen: ‘Het begint allemaal bij verlagen. Daarna komen spreiden en sturen.’ Daarbij moeten volgens haar ook de traditionele schotten tussen sectoren verdwijnen. ‘De eerste muren die we moeten doorbreken zijn de muren tussen sectoren.’
