Column Bas van de Griendt: De compensatie-industrie

Is CO2-compensatie de pleister die het probleem maskeert of de hefboom die verandering versnelt?

Ga je vliegen? Compenseer je schuldgevoel voor een paar euro.’ Het is een zinnetje dat inmiddels net zo normaal klinkt als het aanvinken van een annuleringsverzekering. CO2-compensatie is de pleister van de klimaattransitie geworden: klein, betaalbaar en vooral geruststellend. Stoot je uit? Dan koop je een certificaat, plant iemand ergens een boom en kan jij weer verder.

Het recent verschenen boek ‘Wie betaalt, mag vervuilen’ van Follow the Money zet die geruststelling op scherp. Onderzoeksjournalisten Ties Gijzel en Mira Sys nemen je mee in de wereld van klimaatcompensatie, waar goede bedoelingen, financiële prikkels en marketing elkaar moeiteloos vinden. Het idee is simpel: door te investeren in natuur- of klimaatprojecten kun je uitstoot ‘wegstrepen’. Alsof CO2 slechts een boekhoudkundige post is.

Zo ontstond een wereldwijde compensatie-industrie. Carbon credits fungeren daarbij als bewijs dat uitstoot wordt voorkomen of verminderd of dat CO2 wordt opgeslagen. In de gereguleerde markt – denk aan het Europese emissiehandelssysteem ETS – is dat strak georganiseerd. Grote industriële installaties en energiecentrales moeten hun uitstoot verantwoorden. Dat systeem heeft regels, plafonds en toezicht.

Daaronder ligt een tweede laag: de vrijwillige koolstofmarkt. Daar kan iedereen meedoen: bedrijven die net-zero ambities formuleren, consumenten die hun vliegreis willen neutraliseren en ontwikkelaars of beleggers die hun project of portefeuille een groen randje willen geven. Het is een snelgroeiende markt. En zoals bij elke jonge markt geldt ook hier: waar groei is, is ook frictie.

Toezichthouders, zoals de AFM, waarschuwen al langer. Twijfels over de daadwerkelijke klimaatwinst, discussies over additionaliteit, het risico dat opgeslagen koolstof weer vrijkomt en het ontbreken van eenduidige standaarden maken vergelijking lastig. Daarbij komt het ongemakkelijke punt dat compensatie soms een alternatief wordt voor reductie, terwijl het klimaatakkoord precies het omgekeerde bedoelt.

De compensatie-industrie heeft bovendien een narratief probleem. Bedrijven claimen klimaatneutraliteit, terwijl de werkelijkheid complexer is. Brokers, projectontwikkelaars en certificeringssystemen opereren niet altijd transparant. Dat voedt het beeld van een markt waar je met geld je geweten kunt afkopen met een ‘groene aflaat’.

En toch is het te makkelijk om alles weg te zetten als greenwashing.

Juist in de bouw en vastgoedsector ontstaat een interessanter verhaal. Op de vrijwillige koolstofmarkt verschijnen steeds vaker credits voor biobased bouwmaterialen en houtbouw. Niet als abstract bos aan de andere kant van de wereld, maar als tastbare koolstofopslag in gebouwen die hier staan, waar we langs kunnen fietsen en waar mensen wonen.

Daar zit een wezenlijk verschil. Wanneer koolstof wordt vastgelegd in vezelteelt voor bouwmaterialen of in houten constructies, is de opslag meetbaar, controleerbaar en langdurig. Certificeringsmethoden als die van SNK en Oncra, die strikt werken met Europese kwaliteitscriteria (nauwkeurige kwantificering, aantoonbare additionaliteit, langdurige opslag en bredere duurzaamheid), proberen precies de zorgen van toezichthouders te adresseren.

Dat maakt deze credits niet heilig, maar wel integer en concreet. Je kunt ze zien. Je kunt ze narekenen. En belangrijker: ze verbinden compensatie aan systeemverandering in plaats van aan een los project.

Daar ligt – als je het mij vraagt – de toekomst van de compensatie-industrie. Althans, voor houtbouw en het gebruik van biobased materialen. Niet als vrijbrief om door te gaan met uitstoten, maar als financieringsmechanisme voor de transitie zelf. Compensatie die reductie versnelt in plaats van vervangt. Certificaten die geen morele korting geven, maar investeringen mogelijk maken.

Want laten we eerlijk zijn: de behoefte aan compensatie verdwijnt niet. De vraag is alleen welke rol ze speelt. Wordt het de pleister die het probleem maskeert of de hefboom die verandering versnelt?

De compensatie-industrie staat op dat kruispunt. Dat geldt zeker als het gaat om duurzaam en circulair bouwen. En zoals zo vaak in de duurzaamheidstransitie geldt: het instrument is niet het probleem. Het gebruik ervan wel.

Bas van de Griendt (Stratego-Advies.nu) is auteur van ‘Het ABC van ESG voor vastgoed-professionals’ (2024). Hij adviseert bouw- en vastgoedbedrijven bij verduurzaming van hun activiteiten. Afgelopen jaar deed hij uitgebreid onderzoek naar Carbon Credits in de bouw en vastgoedsector.

Laatste nieuws

Evenementen