De gemiddelde werkvoorraad in de totale burgerlijke- en utiliteitsbouw steeg in februari ten opzichte van januari met 0,1 maand tot een niveau van 13,8 maanden.
Dat blijkt uit de conjunctuurmeting in de bouwnijverheid van maart 2026 van het Economisch Instituut voor de Bouw, uitgevoerd in opdracht van de Europese Commissie. Aan het onderzoek namen circa 250 hoofdaannemingsbedrijven met meer dan tien werknemers deel.
In de woningbouw nam de orderportefeuille met vier tiende maand toe en kwam uit op 15,2 maanden en in de utiliteitsbouw daalde de gemiddelde werkvoorraad licht met 0,1 maand tot 12,0 maanden. In de grond-, water- en wegenbouw stegen de orderportefeuilles met 0,1 maand tot 9,9 maanden werk.
Binnen deze sector nam de grond- en waterbouw toe met 0,2 maand tot 11,8 maanden, terwijl de wegenbouw juist een lichte daling liet zien van 0,1 maand tot 8,2 maanden. In totaal kwam de gemiddelde orderportefeuille in de bouwnijverheid uit op 12,4 maanden, een stijging van 0,2 maanden.
Belemmeringen en verwachtingen
Ongeveer de helft van de bouwbedrijven gaf aan belemmeringen te hebben ervaren in de productie. Slechts 10% noemde weersomstandigheden als oorzaak, een duidelijke afname ten opzichte van de vorige maand. Daarnaast ervaart ruim 15% van de bedrijven problemen door personeelstekorten, vooral in de grond-, water- en wegenbouw. Ook overige factoren, zoals vergunningverlening, werden door circa 10% van de bedrijven genoemd, met name in de burgerlijke- en utiliteitsbouw.
De productieontwikkelingen laten een gemengd beeld zien: bij ongeveer 10% van de bedrijven nam de productie toe, terwijl bij eenzelfde aandeel juist sprake was van een afname. Vooral in de grond-, water- en wegenbouw werd vaker een daling gemeld. Ongeveer een kwart van de bedrijven beoordeelt de orderpositie als groot, terwijl slechts 5% deze als klein beschouwt.
Vooruitkijkend verwacht 25% van de bouwbedrijven een toename van de personeelsbezetting in de komende drie maanden, terwijl minder dan 5% een afname voorziet. Daarnaast rekent de helft van de bedrijven op stijgende prijzen, terwijl geen enkel bedrijf een prijsdaling verwacht.
