Paradoxale schoonheid

Verbouwing en restauraties van monumenten vinden meestal plaats volgens het principe ‘last in, first out’. Dat wil zeggen dat de meest recente ingrepen aan het pand als eerste ongedaan worden gemaakt. De verbouwing van de middeleeuwse Sint Jacobskerk in Den Bosch breekt met die gewoonte en doet recht aan de historische gelaagdheid. Gepubliceerd in Propertynl 2007 nr. 16

Verbouwing en restauraties van monumenten vinden meestal plaats volgens het principe ‘last in,
first out’. Dat wil zeggen dat de meest recente ingrepen aan het pand als eerste ongedaan worden
gemaakt. De verbouwing van de middeleeuwse Sint Jacobskerk in Den Bosch breekt met die gewoonte
en doet recht aan de historische gelaagdheid.

Gepubliceerd in Propertynl 2007 nr. 16


door Egbert Koster

De gebruiker van de voormalige Sint Jacobskerk, het
bureau Bouwhistorie, Archeologie en Monumenten
(BAM) van de gemeente ’s Hertogenbosch, is geen
leek op het vlak van monumentenzorg. Sinds de jaren
tachtig heeft deze gemeentelijke instantie haar
kantoor, onderzoeksruimten en depots voor archeologische
vondsten en historisch waardevolle gebouwfragmenten
in het historische pand. Daarvoor was het
Noordbrabants Museum vijftig jaar lang in het gebouw
gevestigd.
Aanleiding voor de restauratie en verbouwing van de
middeleeuwse Sint Jacobskerk waren de bouwvallige
staat van de inwendige constructie, ernstig tekortschietende
arbeidsomstandigheden en de behoefte aan een
publieksvoorziening en meer depotruimte voor de opslag
van historisch materiaal. Gezien de aard van het
gebruik was van meet af duidelijk dat het deels uit 1430
daterende rijksmonument op letterlijk ‘voorbeeldige
wijze’ diende te worden aangepast aan de eisen van de
tijd. Restauratiearchitect Maarten Fritz besloot daarom
voor een ‘minimalistische’ aanpak die uitgaat van de
bestaande toestand van het gebouw en alle voorgaande
restauraties en verbouwingen zoveel mogelijk in hun
waarde laat. Ongeacht of het gaat om pragmatische
aanpassingen aan nieuw gebruik, ambitieuze restauraties
en verbouwingen ‘onder architectuur’, of weinig
subtiel uitgevoerde reparaties door een gemeentelijke
onderhoudsdienst of plaatselijke aannemer. Voor Fritz
is de rigoreuze verbouwing van de kerk tot militaire
kazerne annex arsenaal uit 1751 uit bouwhistorisch
oogpunt niet meer of minder waardevol dan de ‘onder
architectuur’ gerealiseerde nieuwe voorgevel uit de jaren
dertig, waarmee architect Oscar Leeuw (1866-1944)
het aanzicht van de kerk aanpaste aan de nieuwe functie
van museumgebouw. Maar ook een grove reparatie
van een oude eiken moerbalk met moderne giethars
maakt in de ogen van Fritz met evenveel recht deel uit
van de rijke ‘historische gelaagdheid’ van het pand.
Het resultaat is een bonte verzameling van historische
bouwdelen die op hun beurt weer uit collages van
historische bouwlagen en -fragmenten bestaan. Deze
deelcollages hebben zowel een opmerkelijk fotogenieke
architectonische schoonheid als een romantisch
aura van ‘authenticiteit’. In zijn totaliteit maakt het
gebouw op het eerste gezicht echter een weinig overtuigende
indruk. Pas bij een ontdekkingstocht over de
verschillende verdiepingen geeft het zijn verborgen
charmes prijs. Overigens zal het totaalbeeld ongetwijfeld
aan overtuigingskracht winnen als de geplande
tweede fase van de verbouwing eenmaal is voltooid.
Deze tweede fase voorziet onder andere in het openbreken
van de zijbeuken en het koor van de kerk op
begane-grondniveau en het inrichten van het middenschip
als cultuurhistorisch informatiepunt.
Aanpak
Bij de verbouwing is de inwendige structuur van het
gebouw grotendeels in tact gebleven. De belangrijkste
ruimtelijke ingreep is een nieuw gecreëerde vide die,
voor het eerst sinds 250 jaar, de hele hoogte van het
kerkgebouw weer zichtbaar maakt. In 1751 werd in het
indertijd door de cavalerie als wagenhuis en paardenstal
gebruikte kerkgebouw namelijk voorzien van vier
verdiepingsvloeren om het geschikt te maken voor een
nieuwe functie als militaire kazerne annex arsenaal.
Een in deze vide gesitueerde glazen liftschacht biedt
een verticale reis door de grotendeels open depots. Ten
behoeve van de kantoorfuncties zijn bij de verbouwing
in de zijbeuken door middel van moderne glazen binnenwanden
moderne werkplekken gecreëerd.
Niet alle nieuwe toevoegingen zijn in contrasterende
moderne vormen en materialen uitgevoerd. Voor de
constructief noodzakelijke ondersteuning van de onderste
verdiepingsvloer heeft Maarten Fritz bijvoorbeeld
natuurgetrouwe reconstructies van de oorspronkelijke
houten jukken uit 1751 toegepast. Maar dan wel pragmatisch
uitgevoerd in hedendaags gelamineerd hout.
Andere technisch noodzakelijke aanpassingen aan bestaande
constructies, trappen en hekwerken zijn opzettelijk
onafgewerkt gelaten om te laten zien dat er aan de
600-jarige bouwgeschiedenis van het gebouw wederom
een nieuwe laag is toegevoegd. Een simpel uitgangspunt
dat in de uitvoering overigens nog heel wat voeten
in de aarde had. Fritz: ‘Het was regelmatig vechten om
te voorkomen dat een schilder uit goede bedoeling een
kwast over kale plekken of reparatiestukken zou halen’.
De paradox van de verbouwing is dat het demonstratieve
vertoon van de historische gelaagdheid van het pand
juist een radicale breuk met de traditie betekent. Waar
bij de eerdere verbouwingen onbekommerd de meest
drastische ingrepen in het gebouw werden gepleegd
heeft Fritz nu zelfs de meest brute ingrepen van zijn
voorgangers gekoesterd als een relikwie.