Een ruime meerderheid van de Tweede Kamer wil de manier waarop grond bij gebiedsontwikkeling wordt gewaardeerd veranderen. Vanaf 1 januari 2027 moet de inbrengwaarde worden gebaseerd op de residuele grondwaarde, waarbij de ontwikkelmogelijkheden van een locatie bepalend worden.
De Kamer stemde dinsdag in met een gewijzigde motie van Pieter Grinwis (ChristenUnie), Jurgen Nobel, Robert van Asten (D66) en Hanneke Steen (CDA). Alleen PRO, SP en Partij voor de Dieren stemden tegen.
De motie vraagt het kabinet artikel 8.17 van het Omgevingsbesluit te wijzigen. Daarmee moet vanaf 1 januari volgend jaar de residuele methode het uitgangspunt worden bij het vaststellen van de inbrengwaarde van grond.
Financiële haalbaarheid
De wijziging moet voorkomen dat hoge prijzen die bij grondtransacties worden betaald de financiële haalbaarheid van latere woningbouw- en gebiedsontwikkelingen onder druk zetten.
Bij de residuele methode wordt teruggeredeneerd vanuit wat op een locatie kan worden gebouwd. Van de verwachte opbrengsten van het vastgoed worden de kosten van de ontwikkeling afgetrokken. Het bedrag dat resteert, bepaalt de grondwaarde. De waardering wordt daarmee minder afhankelijk van eerder gerealiseerde grondtransacties in de omgeving.
De Kamer ziet daarin een manier om speculatie met toekomstige bouwgrond tegen te gaan. Ook adviesgroep STOER heeft toepassing van de residuele methode aanbevolen.
Neprom: belangrijke stap
Branchevereniging van ontwikkelaars Neprom is voorstander van de wijziging. De organisatie liet eerder dit jaar Arjan Bregman van het Instituut voor Bouwrecht en gebiedsontwikkelingsexpert en emeritus-hoogleraar Friso de Zeeuw onderzoek doen naar de mogelijkheden om speculatief hoge grondprijzen tegen te gaan. Zij concludeerden dat de residuele methode daarvoor een juridisch houdbare oplossing kan bieden en bovendien kan helpen om onderhandelingen over woningbouwplannen soepeler te laten verlopen.
Neprom-directeur Fahid Minhas noemt op LinkedIn de aangenomen motie‘een belangrijke stap voor een beter werkende grondmarkt en haalbare woningbouw en gebiedsontwikkeling’.
Volgens Minhas is de grondprijs van grote invloed op de haalbaarheid en het tempo van woningbouw.‘Juist in een tijd waarin we de woningbouwproductie fors moeten opschalen, is het belangrijk dat de waarde van grond in verhouding staat tot wat er daadwerkelijk op een locatie kan worden gerealiseerd.’
Alternatief voor planbatenheffing
De keuze voor de residuele methode speelt ook in de discussie over verdergaande maatregelen op de grondmarkt. Zo wordt al langer gesproken over invoering van een planbatenheffing, waarmee een deel van de waardestijging van grond als gevolg van een bestemmingswijziging kan worden afgeroomd.
De indieners van de motie zien bezwaren tegen zo'n heffing. Zij vrezen onder meer meer onzekerheid voor ontwikkelaars en corporaties en vertraging van woningbouwprojecten. De residuele waardering zien zij als een eenvoudiger manier om te voorkomen dat speculatief hoge aankoopprijzen doorwerken in gebiedsontwikkelingen.
Ook Bregman en De Zeeuw concludeerden eerder dat voor het aanpakken van speculatieve grondprijzen geen planbatenheffing of overstap naar de gebruikswaarde nodig is.
Kabinet aan zet
Met de stemming is de nieuwe systematiek nog niet ingevoerd. De Kamer legt de bal nu bij het kabinet, dat het betreffende artikel van het Omgevingsbesluit moet aanpassen om de beoogde invoering per 1 januari 2027 mogelijk te maken.
Minhas roept de minister op bij de verdere uitwerking vooral te kiezen voor maatregelen die uitvoerbaar en voorspelbaar zijn en woningbouw niet verder vertragen.amer wil residuele grondwaarde als rem op grondspeculatie
De Zeeuw ziet de brede steun in de Kamer als een goede basis voor het nog te verschijnen kabinetsvoorstel over het grondbeleid. Op 11 november staat daarover een commissiedebat in de Tweede Kamer gepland.
