De Randstad bestaat uit steden

Afgelopen zomer is Gerald Burke overleden, die met zijn in 1966 gepubliceerde boek ’Greenhart metropolis’ veel heeft gedaan om de Randstad internationale bekendheid te geven. Ondanks deze naam is de Randstad echter alles behalve één stad, iets dat recent ook weer geconstateerd is in een rapport van de OECD. De Randstad is meer een concept dan een functionerende realiteit. Gepubliceerd in Propertynl Magazine 2007 nr. 18

Afgelopen zomer is Gerald Burke
overleden, die met zijn in 1966
gepubliceerde boek ’Greenhart
metropolis’ veel heeft gedaan om de Randstad
internationale bekendheid te geven.
Ondanks deze naam is de Randstad echter
alles behalve één stad, iets dat recent
ook weer geconstateerd is in een rapport
van de OECD. De Randstad is meer een
concept dan een functionerende realiteit.

Gepubliceerd in Propertynl Magazine 2007 nr. 18


Afgelopen zomer is Gerald Burke
overleden, die met zijn in 1966
gepubliceerde boek ’Greenhart
metropolis’ veel heeft gedaan om de Randstad
internationale bekendheid te geven.
Ondanks deze naam is de Randstad echter
alles behalve één stad, iets dat recent
ook weer geconstateerd is in een rapport
van de OECD. De Randstad is meer een
concept dan een functionerende realiteit.
Het gebied kent evenmin eenduidige
grenzen en past ook niet in de bestuursstructuur
van Nederland. Het belang van
de Randstad is er echter niet minder om. In
dit gebied woont 42% van de Nederlandse
bevolking, maar er wordt de helft van het
nationaal inkomen verdiend. Verder wordt
in dit deel van het land 75% van de uitvoer
geproduceerd en staan hier 81% van de
fi les. De bevolking in de Randstad is hoger
opgeleid en rijker dan die in het land als
geheel. De werkloosheid van 3,9% is een
van de laagste van alle stedelijke gebieden
in de OECD-landen. Binnen de Randstad
bestaan overigens aanzienlijke verschillen.
Het inkomen per hoofd is in Utrecht
hoog, maar in Rotterdam laag. Het verschil
tussen de Noord- en de Zuidvleugel van de
Randstad heeft bovendien de neiging groter
te worden.
De OECD ziet enkele zwakke punten in
de Randstad, waarvan de lage groei van
de productiviteit een van de voornaamste
is. Een van de mogelijkheden om hierin
verbetering te brengen, is volgens de OECD
om meer gebruik te maken van de fysieke
nabijheid van de stedelijke regio’s. De
verschillende steden zouden zich dan meer
specialiseren en er zouden meer complementariteiten
ontstaan. Momenteel functioneren
de regio’s grotendeels zelfstandig.
Het aantal forensen tussen de grote steden
onderling neemt sinds 1990 wel toe, maar
het gaat hierbij vooral om personen met
een hogere opleiding. Internationaal gezien,
is het aantal forensen nog steeds gering. Er
is daarom nog voldoende potentieel voor
verdere vergroting van de mobiliteit. Verbetering
van de verplaatsingsmogelijkheden
binnen de Randstad moet daarom een topprioriteit
zijn. Hoewel dit een aansprekende
aanbeveling is, zijn de voorbeelden die de
OECD noemt van mogelijkheden om duplicatie
binnen de Randstad te verminderen
en de specialisatie te versterken niet altijd
even sterk. Dit zijn namelijk de havens van
Amsterdam en Rotterdam, het hoger onderwijs
en culturele voorzieningen. Het is de
vraag of juist hier de meeste kansen liggen
om de productiviteitsgroei te versnellen.
Er zou eerder potentie moeten liggen in de
zakelijke diensten, getuige bijvoorbeeld het
feit dat advocaten zich al spontaan concentreren
in Amsterdam.
De OECD is in 1999 begonnen met het
produceren van studies over stedelijke
gebieden. Deze zijn opgezet volgens een
gemeenschappelijk conceptueel kader,
waardoor de verschillende landen kunnen
leren van elkaars ervaringen. Op verschillende
plaatsen worden in het rapport over
de Randstad ook vergelijkingen gemaakt
met andere stedelijke gebieden, zoals Londen,
Barcelona, Stockholm en San Francisco.
De rapporten worden geschreven met
medewerking van een begeleidingsgroep.
Vrijwel alle betrokkenen zijn echter personen
die werkzaam zijn op universiteiten of
bij de overheid.
Er wordt voorts ook expliciet gesteld dat
het rapport is vervaardigd in samenwerking
met de Nederlandse overheid. Dit maakt
een aantal gemaakte opmerkingen fascinerend.
Zij zijn kennelijk opgeschreven met
instemming van de overheidsvertegenwoordigers,
wellicht met het doel de discussie te
stimuleren of bepaalde onderwerpen meer
in de belangstelling te plaatsen. Hierbij
kan gedacht worden aan de bereikbaarheid
van Almere, de urgentie van wegbeprijzing,
de beperktheid van het spoorwegnet in de
Randstad, de fricties op de woningmarkt in
de grote steden, het belang van erfpachtinkomsten
voor de gemeente Amsterdam en
de binnengemeentelijke decentralisatie. Indien
dit het geval is, is deze opzet evenwel
niet geslaagd.
De studie over de Randstad heeft maar in
beperkte mate aandacht gekregen en een
aantal van de meest opzienbarende uitspraken
lijken nauwelijks te zijn opgemerkt.
Dit is onverdiend, want het rapport heeft
een brede visie en is goed gefundeerd. De
suggesties om beter gebruik te maken van
de onderlinge nabijheid van de grote steden
zijn wellicht onvoldoende uitgewerkt, maar
de implicatie dat de ruimtelijke ordening
invloed heeft op de economische prestaties
van een gebied is interessant genoeg om
goed overwogen te worden. Ruimtelijke
ordening moet in ons land een serieuze
bezigheid worden in plaats van een gezelschapsspel.